Wie nu Mildam binnenkomt, kan zich moeilijk voorstellen dat het dorp in 1900 werd beschreven als een uit landschappelijk oogpunt prachtig dorpje "anderhalf gaans van Heerenveen" aan de bogtende weg van Veenwijk over Annebuorren naar het Oosten. Het is zeer gezellig noordelijk een heuvelrij van bosschen -'t Woud- en zuidelijk vergezichten over de Tjongervallei met zijn uiterdijken. 't Dorp is een rechte buurt, twee rijen huizen, elke rij p.m.30 in getal van kerk tot kerk. Men ziet er nog een drietal huizen met de jaartallen 1623, 1692 en 1700. Langs den weg hier - aan het eind van het dorp - eene rij zware eiken, in't dorp zelf een dubbelerij, dunner dochs eveneens hoog op stam. 't Kan een fraaie laan worden. En dat was het ook, tot in 1958/59 die fraaie bomen werden gekapt, tot
groot verdriet van velen - maar niet van degenen, die aan de noordkant van
de Schoterlandseweg woonden. Die kregen nooit een streepje zon in huis en
klaagden steen en been over vocht en schimmel... Mildam werd voor het eerst genoemd in 1408, toen het dorp aan de bisschop van Utrecht, de geestelijke en wereldlijke heer in die dagen, vijftig "oude schilden" moest betalen aan achterstallige pacht en boete. Hoeveel mensen dat bedrag tezamen moesten opbrengen, is niet bekend. Omdat het dorp op een hoge, droge en veilige zandrug ligt, woonden er
vermoedelijk al lang voor die tijd mensen. Dat is ook geen wonder, want de
"infrastructuur"was voor die tijd uitstekend. De plaats lag aan een rivier
en ook al aan de "verkeersweg"uit die tijd, die de hoge zandgronden van
Drenthe verbond met die van Gaasterland. De Binnenweg in Oude- en
Nieuwehorne is een oude Hessenweg en bij de Kiekenberg zijn sporen van de
Trechterbekercultuur gevonden. Ook rendierjagers hebben in de omgeving
geleefd. In 1853 werden de inwoners van Mildam aangeslagen voor dertien floreenen, voor het onderhoud van de zeedijken. Waterschapsbelasting dus. Hoeveel inwoners daarvoor moesten opdraaien, was ook toen niet bekend, omdat in die tijd de inwoners van Brongerga en Nieuw-Brongerga (nu De Knipe) bij die van Mildam werden geteld. Tezamen waren dat er 1254 in het jaar 1815 en om 1895 zelfs 1764. Toen de cijfers in 1900 uitgesplitst werden en Mildam voortaan apart werd vermeld, bleken daar 458 mensen te wonen. Wie in de verkoopadvertenties van de notaris soms stuit op een perceel
land, kadastraal bekend onder nummer zoveel, gemeente Mildam, treft een
overblijfsel aan uit de Franse tijd. Toen was Mildam een aparte commune
(gemeente) onder maire (burgemeester) Daniel de Blocq van Scheltinga, die
woonde op de Pauwenburg in Brongerga. Die Franse tijd heeft nog meer
opgeleverd, want op 24 december 1812 moesten alle inwoners van Mildam voor
de maire verschijnen om hun familienaam op te geven. In die tijd vinden we
dus voor het eerst officieel een Zwaagstra, Beenen (herbergier), Zoetendal,
Kooistra, Van der Honing en verscheidene Heida's. Nog steeds staat aan het begin van Mildam het oude hervormde kerkje uit de 18e eeuw, dat nu dienst doet als expositieruimte voor verschillende kunstenaars. Een eindje verderop staat de gereformeerde kerk die uit 1857 dateert en nu in gebruik is bij de Samen op Weg-gemeente. In 1603 had Mildam slechts een verwoeste kapel, die echter herbouwd werd met de stenen van een afgebroken kerk in Brongerga. Over recycling gesproken! De herbouw was blijkbaar niet van al te beste kwaliteit, want al in 1726 wordt er een nieuwe kerk gebouwd en die staat er dus nu nog. Wat misschien allen de dorpsoudsten nog weten, is dat er in Mildam vanaf 1610 ook een doopsgezinde kerk is geweest, aan het begin van de Molenlaan. Die was gevestigd in een langgerekt gebouw, waarvan nog een ansichtkaart bestaat. Het waren zeer orthodoxe, streng in de leer zijnde doopsgezinden, de z.g. "Oude Vlamingen". Jan Jansz. Heida was er de "leraar" van 1722 tot 1763. In 1767 werd deze gemeente gecombineerd met die van Benedenknipe en stond Anne Hohannes bij beide vermaningen op de kansel. Hij werd in 1784 opgevolgd door Jan Tjerks Vermanje, die tot 1799 het ambt vervulde. De gemeente was toen al verlopen en werd in 1806 opgeheven. De Molenlaan - oorspronkelijk een voetpad naar Oranjewoud-Brongerga -
dankt zijn naam aan de molen die er inderdaad heeft gestaan. Bekend is, dat
toen in 1794 alle mensen in het kader van de Quotisatie extra
inkomstenbelasting moesten gaan betalen - ook toen al - molenaar Jan Gerrits
tamelijk welgesteld bleek te zijn. Hij kreeg een aanslag van 46
Carolusguldens en zeven stuivers. Streekcentrum met twee jaarmarkten Terug Mildam was van oorsprong een boerendorp en een groot deel van de
bevolking werkte in de landbouw, in de veeteelt, als dagloner of
handwerksman. Er was weinig armoede en iedereen had wel een volkstuintje,
een zogenaamde "bouw". Er waren meerdere winkels en dat is meer dan
we nu
kunnen zeggen... De plaats had een zekere centrumfunctie, want al in 1682
werd bij de grietman een verzoek ingediend om een jaarmarkt te mogen houden.
Dat verzoek werd ingewilligd en in de negentiende eeuw waren er zelfs twee
"beestenmarkten". De aanvoer bedroeg zo'n 200 tot 400 dieren. Die stonden in
twee lange rijen onder schaduwrijke eiken langs de Schoterlandseweg. Kom
daar op Skoattermerke nu eens om... Pas in 1952 heeft de gemeente de
jaarmarkten opgeheven. Hoe komt Mildam aan zijn naam? Terug Blijft nog het punt waarom Mildam heet zoals het heet. In de Encyclopedie van Friesland uit 1958 wordt als verklaring gegeven: Mildam betekent de middelste dam in de Tjonger. De vraag is echter: waar lagen dan de onderste en de bovenste dam en wat was hun functie? Er is echter ook een andere verklaring mogelijk. Er bestaat een akte van
10 november 1523, waarin de verkoop van een stuk grond in Brongerga door
Brychert Macklis aan ClaesTyedgers wordt beschreven. Daaronder staan ook
keurig de namen van de twee getuigen, Hans Gherkens van Ketteleeck (Katlijk)
en Licla Gherleffszoon uit Meyledam, zoals Mildam ook blijkens oude kaarten
in die tijd heette. Meyle is de naam van een man, al weten we niet wie dat
is geweest. Het feit echter dat die dam in de Tjonger zijn naam te danken
zou hebben aan ene Meyle, ligt volgens sommigen meer voor de hand dan die
van de drie dammen. In ieder geval een prachtig onderwerp om eens verder
over te filosoferen. |
|
Op de plek van het vroegere stoomgemaal staat nu een klein elektrisch
gemaal, tegenover de plek waar de Prinsewijk in de Tjonger komt. Het
fietspad volgt daar Vragen:
Hier is het gemaal aan de Tjonger in aanbouw in het jaar 1918 (foto uit
collectie Klaas Woudstra, copie van afdruk van R. Stoker). De man met de
houten hamer is Hielke Lawant. De tweede van rechts, geknield, is Roel
Stoker; de man geheel rechts is Jan Looienga. De man met de hoed op (en de
stropdas) is de opzichter. De vier mannen die links boven op de begane
grond staan hebben de handgrepen vast van iets wat op een vijzelpomp
lijkt, voor de ontwatering van de bouwput. In de Tjonger ligt een boot
voor de wal (wat is de lading?). Er ligt aan de dijk een hoop zand; zou
die ook met het schip zijn aangevoerd of met wagens? Verder liggen er
stapels baksteen. Rechts is een deel van een driepoot te zien met mogelijk
een heiblok? Wie kan er meer vertellen van wat er op deze foto te zien is?
Terug |
|
Het
molentje van Kleefstra
Terug.
|