Inwoners van Mildam
- Feitze Krekt:
- in ferske fan 50 jier ferline
- in rymke foar Mildaam fan
jannewaris 2004
- Een verhaal over het
ontstaan van de Tjonger(hollands/frysk)
- Wybe Hoekstra: een Mildamster van vroeger
terug
Ferske
oer Mildaam.
Fan Feitze Krekt ca.1955
Oan de boarden fan de Tsjonger
Leit it ālde plak Mildaam
En dźr by dy ālde herberch
Stekt elts'ien graach ris oan.
Oan de beide kanten beammen
Fan in grutte krease dyk
En dan bin' der noch de leanen
0, wat is us doarpke ryk.
Der wenje in protte minsken
Hūndert huzen stean' der wol
Gjinien hat der noch winsken
It folk is goed en gol.
Eartiids hold men altyd merke
Op in tiisdei yn april
Kei stiene fan tsjerke oant tsjerke
It waar wie meast dan gril.
Ik soe noch mear sizze kinne
Oer śs doarpke moai en klein
Mar kom hjir leaver hinne
Oan bewund 'ring komt gjin ein.
Reizget men ek oeral hinne
Oer de grutte wide wrāld
Mildaam, dij ferjitte kinne
Sil ik nea al bist ek āld.
Rymke oer Mildam
Feitze Krekt, jannewaris 2004
Mildam, myn doarpke oan de
Tsjonger
Op de grins fan fean en sān,
Nei dy ha ik altyd longer'
Do bist foar my it moaiste yn us lān.
Mei it śtsjoch op 't polderlān
En it streamende kanaal,
Wichtich foar de wetterstān.
Toerisme is no it ideaal.
Mei dyn filla' s en boargerwenten.
Foar elkenien wat nei syn kar.
Minsken mei in protte of in bytsje sinten,
Troch ferskaat komt elk oan bar.
Mei dyn drokke Skoatterlanskewei,
Oan beide kanten in ālde tsjerke.
Noch in inkelde buorkerij
En dyn ferneamde wintermerke.
Mei dyn stIjitten mei al de nammen
En dyn kreaze blommetśnen
En de beammen mei har dikke stammen
En de bosken om yn om te strśnen.
Mei dyn wiidferneamde Eko
katedraal
Deunby de bosken fan Oranjewāld
Mei de utstallings yn pleats en tsjerkelokaal
Fan keunst nijmoaderich en ek tige āld.
Mei dyn Tsjongerskoalle foar de
grūnslach
en ūntjouwing fan it ferstān
en Yn in seal kin men oan de slach
mei gymnastiek en trene yn ploechferbān
Mei dyn sportfjild en de banen
Mei ek in boartersplak foar bern.
Bewāle troch ienfāldiche boskrānen
Elke sport kin men hjir dwaan en sjen.
Mildam, wat bist' yn fyftich jier
feroare
Fan it ālde is hast neat mear oer.
Mar ek no kinst' my noch bekoare
Makkest' my noch gāns oerstjoer.
terug
Het ontstaan van de Tjonger
Fan Feitze Krekt
Jaren geleden is het riviertje Kuinder of Tjonger ontstaan.
Het kronkelde vanuit Drenthe door Friesland naar het Friese meren
gebied. In
1880 werd het gekanaliseerd en van toen af aan het Tjongerkanaal
genoemd.
Toen ik nog jong was en wel met mijn vader ging hooien op een stuk land
achter
Nieuwehorne, kon je nog duidelijk de oorspronkelijke loop van de rivier
volgen.
Als kanaal was het belangrijk voor het vervoer per schip van turf, hooi
en
dergelijke, maar de laatste tijd is het alleen maar onmisbaar voor de
afwatering
voor een deel van Drenthe en Friesland, hoewel er zomerdag weer meer
scheepvaart komt door de turfroute (een aan te bevelen tocht voor de
pleziervaart). In de winter blijft het door de sterke stroming altijd
gevaarlijk voor het
schaatsenrijden.
Maar hoe is de Tjonger nu eigenlijk ontstaan?
Hierover het volgende verhaal.
Veel, heel veel jaren geleden ging een oud vrouwtje in Appelscha van
huis tot
huis om heideboenders te verkopen en ze zocht onderdak voor de nacht.
Ze kwam bij een heel groot huis en meldde zich bij de poort.
Dienstknecht Arie
ontving haar met een bars gezicht, maar ging toch naar de barones Krent
tot
Pruim om te zeggen dat er iemand was.
Die werd ontzettend kwaad en joeg het oude vrouwtje al scheldend (met
woorden die ik hier niet durf neer te schrijven) weg en dreigde met het
loslaten
van haar honden. Oude Margriet (zo heette ze) maakte dat ze weg kwam, zo
vlug haar oude kromme beentjes haar konden dragen.
Uitgeput kwam ze aan bij een armoedig klein huisje verderop. Hier
woonde de
familie Kwast: vader, moeder en tien kinderen. Op haar vraag of ze kon
overnachten, roepen allen in koor: "0 ja, kom maar gauw tussen ons in,
je wordt
dan lekker warm en je kunt mooi mee eten". Ze kreeg een verzorging als
een
luis op een zeer hoofd, sliep allerheerlijkst en ontwaakte de volgende
morgen
weer helemaal uitgerust.
Hiltje Kwast bracht haar een eindje op reis en gaf haar nog wat mee voor
onderweg, maļskoeken, en een stuk spek.
Oude Margriet bedankte haar weldoenster en sprak bij het afscheid deze
woorden: "Geld kan ik je niet geven, maar wat je straks het eerste zult
doen, zu1
je twee maanden lang doen". "Wondere woorden", dacht Hiltje Kwast, maar
toen ze thuis kwam, was ze het allang vergeten.
Het eerste werk waar ze mee begon, was het meten van lakens. Dit heeft
ze twee
maanden lang gedaan. Haar man en kinderen verkochten alles zodat ze er
welgesteld van werden.
U zult zeggen, net goed. "Wie goed doet, goed ontmoet"! Dit hoorde ook
de
rijke dame en die trok zich van ergernis de haren uit het hoofd. Ze
dacht: "Dit
overkomt mij geen tweede keer", maar niemand hoorde nog iets van oude
Margriet.
Enkele jaren gingen voorbij, en toen opeens was ze er weer. Ze meldde
zich
weer bij het grote huis, maar wat een heel andere ontvangst dan de
vorige keer.
Dienstknecht Arie was heel vriendelijk en bracht haar meteen door naar
barones
Krent tot Pruim. Deze begroette haar bijzonder hartelijk, kuste haar op
beide
wangen en gaf haar een mooie kamer voor de nacht. Dienstmeisje Annet
stond
geheel tot haar beschikking. Ze gaf haar een lekker bad, waste haar met
de
duurste groene zeep en masseerde haar met lijnolie. De oude stumper
wist niet
wat haar overkwam.
De volgende morgen werd ze met veel tamtam uitgeleide gedaan.
Natuurlijk was
ze erg dankbaar en sprak weer dezelfde woorden: "Geld heb ik niet, maar
wat u
straks het eerste doet, zult u twee maanden lang doen".
De dame had hier al op gerekend en riep: "Ik weet wel wat ik doe. Ik ga
gouden
dukaten tellen, maar... ik moet eerst nog even plassen".
En ... dit heeft ze twee maanden lang moeten doen.
En zo ... is de Tjonger ontstaan.
F. Krekt
p.s. Mijn vader zei: "Dit verhaal is mij voor waar verteld".
(terug)
Wiebe
Hoekstra, een Mildamster uit vroeger tijden
Een verhaal van Lykele Libbenga
Mildamsters uit vroeger tijden
Wiebe Hoekstra die woonde op Yntzelaan 5, stond algemeen bekend
als “Wiebe-met-de-éne-arm”. Ik heb altijd een hoop respect gehad
voor die man, om wat hij met zijn handicap allemaal wel niet doen kon.
Voor mij was het ‘Omke Wiebe’, omdat hij getrouwd was met een zuster
van mijn moeder.Op dat plekje aan de Yntzelaan, tegenover de stenen
tuin van Le Roy, is hij ook geboren op 2 februari 1891.Hij deed van
alles gedurende zijn drukke en werkzame leven. Hij was boer, voerman
(hout rijden), haalde de contributie op voor het ziekenfonds, zat
regelmatig
in de kerkenraad, bracht met paard en wagen nuchtere kalveren naar de
markt in Wolvega, was een voorman van het muziekkorps – ook al liep hij
achteraan met de grote hoempapa – en maakte ’s winters als het
gesneeuwd had, de Yntzelaan en de fietspaden schoon met een sneeuwploeg
achter zijn paard. Ook hielp hij de slager (dat was zijn zwager),
als er ergens bij iemand thuis een varken geslacht moest worden. Als
kinderen mochten wij daar door de open deur dan wel eens naar kijken.
Hij had het mes dan dwars tussen de tanden, maar hij kreeg voor elkaar
wat hij wilde. Op zijn eigen boerderij slachtte hij ook wel eens een
stukje wild, een hertje, een haasje of een konijntje. Nou ja, zei hij
dan, dat vee van mijnheer De Blocq van Scheltinga leent mijn gras en op
deze manier kan dat met gesloten beurzen…
Als jonge man van 24 jaar kreeg hij last van zijn arm, wat later
koudvuur bleek te zijn. Zijn hele arm moest toen geamputeerd worden.
Hij kon toen zijn grote wens, zelf een slagerij te beginnen, wel
vergeten. Daarom is hij altijd boer gebleven. Iedereen weet dat er op
een boerderij veel handwerk is. Maar Wiebe met zijn ene arm, kon
maaien, hooien, inkuilen, de stal uitmesten, mest uitrijden, de
kruiwagen rijden - met een stuk touw om zijn nek naar het andere
handvat – sloten hekkelen en ga zo maar door. Alleen melken deed hij
niet. Hij wilde niet meer dan een stuk of tien koeien hebben en zijn
vrouw en later zijn dochter Antje, namen het melken voor hun rekening.
Zijn redenering was zo: als de vrouwen wat zouden krijgen en ik moet
zelf melken, dan kan ik de hele dag wel doormelken, want als ik aan de
laatste toe ben, kan ik wel weer met de eerste beginnen.
Maar zijn grote liefde lag in het veld. Omdat hij toch voor
verschillende boeren in het land mollen moest vangen - hij vilde de
dieren, spijkerde het velletje op een plank en verkocht het later - had
hij nog al eens een paar andere klemmen en strikken onder de jas. Zo
ving hij dan ook
nog wel eens een ander beestje. ’s Avonds in de schemering zette hij
zijn strikken en ’s morgens, voordat het licht werd en de vrouw begon
te melken, ging hij er even bij langs. De buit verstopte hij dan onder
wat dood riet en andere rommel aan de kant van de sloot. Want de
boswachters hielden hem natuurlijk in de gaten, vooral Sietse van der
Honig, die het niet pikte dat Wiebe steeds weer achter het wild aanzat.
De boswachters verstopten zich zo ‘s morgens om een uur of zes in de
onderwal, maar Wiebe was dan al lang weer thuis.Als het licht geworden
was, reed hij met de kar wat mest uit over het land, kwam langs de
slootkant met de lege kar en smeet het oude riet, waar de buit ook in
zat, op de kar en ging naar huis. De boswachters die verkleumd aan de
slootkant zaten, werden vriendelijk gegroet. Die hadden niet eens in de
gaten dat ze weer eens beetgenomen waren.
Zo ging hij ook eens hartje winter met sneeuw en vorst het land in om
mollen te vangen. Geen boswachter bedacht dan dat die mollen niet door
de harde grond heen konden komen en dus diep weggedoken zaten.
Niettemin, Wiebe zette bij een dikke molshoop een klem en legde er een
koolstronk die hij in zijn zak had, naast. Ik geef u te raden wie er op
die koollucht afkwam, zeker geen mol..’s Morgens in de schemer haalde
hij de klemmen weer op, met de wat grotere ‘mollen’. Nou wil ik omke
Wiebe niet zwart maken als stroper. Maar hij vond het zulk mooi werk en
het feit dat de koeien het gras niet lekker vonden vanwege de
konijnenpis en hij toch in het land moest zijn vanwege de mollen gaf de
doorslag.
En dat alles met één arm…
Dat Wiebe Hoekstra ook eens iemand het leven heeft gered, weten niet
veel mensen. In een boerderijtje een eindje verderop woonde een familie
die heel streng kerkelijk was. Je kunt wel spreken van een beetje
godsdienstwaanzin. De kinderen, een stuk of zes, mochten niet anders
dan psalmversjes zingen. Eén van de kinderen was een mongooltje en
vader kreeg op zekere dag een ingeving dat zulks een straf van God was
en dat de jongen geofferd moest worden. Op een avond trok de hele
familie met het kind, dat was vastgebonden en met pek en olie
ingesmeerd, naar de vijver in het Prinsenbos. Het slachtoffer ging te
keer als een mager varken en dat hoorde Wiebe Hoekstra. Hij ging er
achteraan en toen hij ze ingehaald had, vroege hij de vader wat dit
allemaal te betekenen had. Die deed zijn verhaal en toen zei Wiebe: als
jullie dat kind niet als de gesmeerde bliksem losmaken en met zijn
allen naar huis gaan, pak ik de fiets en ga naar de politie in
Heerenveen. Dan kunnen jullie er op rekenen dat jullie zeker tien
jaar worden opgesloten wegens moord. Het gezin luisterde naar Wiebe en
ging weer op weg naar huis. Het mongooltje heeft nog heel lang bij zijn
broer en zus in Mildam gewoond. Ook Wiebe Hoekstra en zijn vrouw
Katrine hebben het nog lang
volgehouden. De laatste jaren woonden zij op de Schoterlandseweg
59, waar hij een huis had laten bouwen. Dat het wild hem goed bekomen
is, is wel duidelijk geworden, want hij is juli 1981 op negentigjarige
leeftijd overleden.
(terug)
Wiebe Hoekstra: In
Mildaamster fan eartyds
In ferhaal fan Lyckele Libbenga
Wiebe Hoekstra fan de Ynzeleane nr. 5, better bekend as Wiebe mei ien
earm. In man foar wat er dwaan koe mei syn 'handikap', dźr ha ik
altyd in protte respekt foar hān. Foar my wie it omke Wiebe,
omdat er troud wie mei in suster fan myn mem. Op it spultsje
tsjinoer de stiennene tśn fan Le Roi, dźr is er ek berne, 2 febr
1891. Yn syn altyd drokke en wurksume libben hie er fan alles by de
ein. Hy wie boer, fuorman (hout ride), helle kontribśsje op fan de
sikenhśsferpleging, hie geregeld sitting yn de tsjerkerie, brocht
mei hynder en wein nochterne keallen nei de merk yn Wolvegea, wie
foarman by de muzyk (al rūn er efteroan mei de grutte hoempa) en
sleepte winterdeis as it snijde de Ynzeleane en Mūneleane
de fytspaden mei sa'n trijehoek-sleepke mei it hynder der foar. Ek by
de slachter (syn sweager) holp er mei de hūsslachtings te
bargeslachtsjen. As bern mochten wy wolris yn e doar stean te
sjen. Dan hie er it mes yn de mūle, mar wat er woe krige er klear.
Yn syn eigen buorkerij slachte er wolris in stikje wyld. In hartsje,
haske of knyntsje. 'Goh', sei er dan, 'dat fee fan menear De Blocq fan
Scheltinga lient myn gers en op sa 'n menier kin it mei tichte
beurzen'.
As jong feint fan 24 jier krige er lźst fan syn earm, wat letter
bienfret hjitte to wźzen en om't de boppe-earms bonke al krapoan
fergongen wie, moast de hiele earm amputearre wurde. Syn winsk om
sels in slachterij te begjinnen, koe er doe wol ferjitte. Fandźr
boer bleaun. Dat op in buorkerij in bulte hānwurk is witte wy allegear.
Mar Wiebe koe meane, haaie, ynkūlje, mjuksje, dongstruie, kroadzje
(tou om 'e nekke oan de oare hāngreep), hekkelje en gean sa mar troch.
Allinne it melken die er net. In ko as tsien, mear woe er net ha.
Syn frou en letter syn dochter Antsje namen it melken foar harren
rekken. Hy riddenearde sa: as de froulju wat ha en ik moat sels melke,
dan kin ik de hiele dei wol troch melke, want as ik by de lźste bin,
kin ik wer mei de earste beginne. Syn grutte leafde lei yn it
fjild. Troch dat hy foar ferskate boeren de mollen fong (strūpe en
op in planke spikerje) en ferhannele, hie er ek faak in pear
oare klemmen en in pear strikken onder de jas. Yn it lān en it
boskje foar syn hūs oer snipte er ek wolris in beestje. Yn 'e
skimerjūn strikken sette en moarns foar 't ljocht, as de frou
begūn te melken, der efkes by lāns. De bśt ferstoppe er onder
wat hekkelguod oan de kant fan de sleat. Want de boswachters hiene
it ek op him fersjoen. Dy tochten om in oere as seis dźr te wźzen
en joegen harren del yn 'e wāl.
Omke Wiebe wie al lang wer thśs. Tsjin as it ljocht wurde gong er mei
de strontbak nei 't lān en lege dy. Dan ried er lāns de sleat en
smiet de rūchte yn 'e lege bak, dźr't de bśt yn siet. Dan gong er
wer nei hūs en groete de boskwachters dy 't ferklūme yn 'e wāl
sieten. Dy hienen niks troch, dat er se werris te pakken hie. Sa
gong er mei dik winter mei snie en froast it lān yn te
mollefangen. Gjin boskwachter tocht derby nei dat de mollen net
troch de hurde grūn kommen koene en dus djipper sieten. Lykwols
sette Wiebe by in dikke mollebulte in klemme, mei lei er in stik
koalstronk, wat er yn e būse hie, neist de klemme. Ik jou jo te rieden
wa 't der op 'e koallucht ōfkamen. Seker gjin mollen. Moarns yn
't skimer helle er de klemmen wer op en meastentyds mei wat
gruttere "mollen". Net dat ik omke Wiebe as in streuper swart
meitsje wol, mar it niget en de hobby en in bytsje de wraak dat de
kij it gers net lekker fūnen fanwege de kninemige en dat er doch
yn 't fjild wźze moast foar it mollefangen, joegen de
trochslach. Dat alles mei ien earm.Dat Wiebe Hoekstra ek ien it
libben ret hat, sille net folle witte. Yn in boerespultsje fierder op
in de leane wenne doetiids in famylje, die 't heul strang tsjerks
wie. Jo kinne it ek wol geastessiik neame. De bern, in stik as seis ,
mochten oars net as psalmferskes sjonge. Ien fan de bern wie in
s.n. mongoaltsje en dat wie Aaltjse. De man krige, sa sei er, in
ynjouwing dat it in Godsstraf wie en Aaltsje offere wurde moast.
Op in jūntyd setten se ōf mei in bosk hout op 'e rźch en Aaltsje
fźstbūn en ynsmard mei pik en oalje, op reis nei de fiver yn de
Prinsebosk. Aaltsje raasde as in meager barch. Wiebe Hoekstra hie al
wat fernommen en reizge troch de bosk, harren efternei. Doe 't er
se ynhelle sei er tsjin de man: 'Wat sil dit?' Dy die syn
ferhaal en Wiebe sei: 'Asto net gau Aaltsje losmakkest en jim
jimme omkeare om nei hūs te gean, dan helje ik de fyts en gean nei
de plysje yn' t Hearrenfean. Dan kinst rekkenje dat se dy tsien
jier of langer opslute foar moard. De man is mei de hśshālding omkeard
en hat nei Wiebe lśstere, en Aaltsje hat noch lang libbe. Lykwols Wiebe
Hoekstra en syn frou Katrine hawwe it ek noch lang folholden. De lźste
jierren yn e buorren yn Mildaam op Skoatterlānsdyk nr. 59, wat er nij
sette litten hat. Dat it wyld him wol goed dien hat die wol
bliken, want hy is stoarn op 90 jierrige leeftyd (july 1981).
Lyckele Libbenga
Terug
|